De tijd aan de Haagse Academie

Op 14-jarige leeftijd volgt Frans op de woensdag- en zaterdagmiddagen de voorbereidende cursus stilleven tekenen op de Academie voor Beeldende Kunsten. Hij krijgt dan les van Jan Giesen. Een jaar later wordt hij toegelaten tot de dagopleiding, en krijgt hij les van onder anderen Henk Meijer, Paul Citroen, Willem Rozendaal, Aart van Dobbenburgh, Ahrend Hendriks, Willem Schröfer, Cees Boldingh, Dirk Harting, Sierk Schröder en George Hogerwaard. In de periode op de academie ontwikkelt zich zijn voorliefde voor het werk van Leonardo da Vinci. Tot aan zijn dood blijft Leonardo zijn leermeester. In deze periode bouwt hij vriendschappen op met onder anderen Hans Kroesen en Gerard Lutz.

Op 24 september 1938 begint hij met het bijhouden van een dagboek.

In 1940 breekt de Tweede Wereldoorlog uit. In dat jaar bekwaamt hij zich in etsen en lithografie. Hij krijgt een Duits nazipropaganda tijdschrift in handen met daarin een artikel over ontaarde kunst. Het toont een groot aantal illustraties van werken van Max Ernst, René Magritte, André Masson, Giorgio de Chirico en vele anderen. Het is voor hem een feest van herkenning en het sterkt hem om op de ingeslagen weg verder te gaan.


Dante Inferno - Canto XIII (1941)

De Liervogel (1944)

Ecce Homo (1944)

Serenade (1945)

In 1943 houdt hij zijn eerste expositie, samen met Hans Kroesen. Er worden circa 250 tekeningen en aquarellen geëxposeerd. Het is echter ook het begin van een heikele tijd. De druk door de Duitse bezetter neemt toe. Hij wordt gedwongen onder te duiken om te voorkomen dat hij in Duitsland te werk wordt gesteld. Hij vindt onderdak in Rijswijk en een paar maanden later duikt hij onder in het ouderlijk huis in de Van Linschotenstraat in de wijk Bezuidenhout te Den Haag.

Vanaf 1 maart 1945 worden de bombardementen door de geallieerden op het Haagse Bos te Den Haag zo heftig dat het gezin het ouderlijk huis moet verlaten, zij kunnen slechts enkele bescheiden - waaronder de dagboeken - meenemen.

Op 3 maart 1945 wordt het ouderlijk huis tijdens een bombardement totaal vernietigd. Bijna al zijn tekeningen en schilderijen raken hierbij verloren. Hij ervaart dit verlies echter als een bevrijding. Al het verloren gegane werk met de vele gebreken staart hem niet langer aan. Hij kan geheel opnieuw beginnen.


Hypnotiserende Hoornflastofiel (1947)

De vlucht uit de realiteit (1946)

Bedroefde Frastilofaat (1947)


Dante Inferno - Canto I (1947)

Donars kaftan (1948)

Koningin van de nacht (1949)

Vlak na de bevrijding, op 17 juli 1945, neemt hij zijn intrek in een hofjeshuis in de Willemstraat te Den Haag. Hij vestigt zich als kunstschilder en neemt de naam JOHFRA aan. Dit is een samenvoeging van de beginletters van zijn geboortenamen FRAnsciscus JOHannes, in omgekeerde volgorde.